Begrippenlijst
Op deze pagina kun je afkortingen, begrippen en uitdrukkingen terug vinden die te maken hebben met fotografie.
Tip voor het zoeken naar jou begrip of afkorting: druk de toetsencombinatie ctrl-F, en vul in het venstertje het woord in wat je zoekt. Werkt zowel in Firefox als Internet Explorer!
De lijst is natuurlijk nog niet af, maar jij kunt me helpen: mis jij nog iets in deze lijst, of ken je er nog meer, stuur dan een bericht naar de bekende mailadres van Succesfoto.nl. Alvast bedankt!
A-Badvanced HAD: HAD staat voor High Accumulation Diode. Dit is een techniek waardoor er meer licht op het beeld valt, waardoor kleuren scherper weergegeven worden, speciaal bij het filmen in donkere situaties.
AE lock (AEL): Auto Exposure lock. De mogelijkheid om tijdelijk de belichtingswaarde, gemeten door het lichtmetingssysteem, vast te houden wanneer het zoekerbeeld verandert. Niet alle camera's beschikken over deze mogelijkheid.
afdruksnelheid: De afdruksnelheid is de tijd die de camera nodig heeft vanaf het moment dat u de ontspanknop indrukt en de foto gemaakt wordt. Dit wordt ook wel sluitervertraging of lagtime genoemd (zie ook sluitertijd). In deze tijdspanne wordt er scherpgesteld en belichting gemeten.
Actiefoto's of sportfoto's met veel beweging hebben over het algemeen een veel kortere afdruksnelheid / sluitertijd nodig dan stilstaande panorama's. Dit omdat je anders wazige foto's krijgt en scherpstellen en lichtmeting dus in een fractie van een seconde moet plaatsvinden.
AF (Autofocus ): Autofocus is een automatische scherpstelfunctie van het objectief. Een sensor in de camera registreert op welke afstand het te fotograferen object zich van de camera bevindt, waarna het objectief automatisch scherp wordt gesteld.
AF-S: Dit wordt bij Nikkor objectieven gebruikt om aan te geven dat het objectief een autofocus heeft (AF) met een ingebouwde Silent Wave Motor (S) die zorgt voor een stille en zeer snelle scherpstelling.
APO: Speciaal glaselement voor correctie van chromatische abberatie bij objectieven van het merk Sigma.
Av (camera stand): Av staat voor Aperture Value. Bij deze stand van de camera moet je zelf het diafragma (de lensopening)instellen. De sluitertijd wordt daar automatisch op aangepast.
Beeldhoek: Als wij recht vooruit kijken beslaat de beeldhoek die we overzien ongeveer 45o. Objectieven kunnen door hun optische constructie totaal andere beeldhoeken zichtbaar maken. Hierdoor kan er dus een grotere of kleinere hoek dan die 45o op het negatief of de sensor worden geprojecteerd. De beeldhoek is ook afhankelijk van het standpunt van waaruit de foto wordt genomen.
belichting: Zowel bij een klassieke filmcamera als bij een digitaal toestel komt het beeld tot stand door de belichting van de chemische film of de CCD-sensor in de camera. De hoeveelheid licht wordt bepaald door de combinatie van diafragma en sluitertijd.
Hoe meer licht de film of CCD bereikt, hoe helderder het beeld. Als er te weinig licht op de film of CCD valt, is het resultaat een onderbelichte opname. In de meeste camera’s wordt de belichting automatisch geregeld: de camera berekent op basis van het aanwezige omgevingslicht zelf de juiste combinatie van diafragma en sluitertijd.
belichtingscompensatie: Een instelling die de automatisch berekende belichting verhoogt of verlaagt. Ze wordt uitgedrukt in EV (exposure value), waarbij EV 0.0 de automatisch belichting is.
Bewegingsonscherpte: Het begrip bewegingsonscherpte duidt op beweging van de camera tijdens het belichten van de film waardoor de foto onscherp wordt. Het probleem kan worden opgelost door een kortere sluitertijd te kiezen of door een statief te gebruiken.
Bracketing: Bij bracketing neem je een aantal foto's na elkaar, waarbij de belichting in meer of mindere mate afwijkt van de door het fototoestel gemeten waarde. Bracketing wordt meestal toegepast bij zeer moeilijke lichtomstandigheden waarbij de camera moeite heeft om de juiste lichtmeting toe te passen.
brandpuntsafstand: Dit is de afstand in millimeters tussen de CCD-sensor van een digitaal fototoestel (of de film van een analoog fototoestel) en het centrum van de lens. Een korte brandpuntsafstand levert een breedhoekopname; een lange brandpuntsafstand zorgt voor een tele-effect. Bij digitale camera’s wordt de brandpuntsafstand meestal ook uitgedrukt als equivalent aan een 35-mm filmcamera.
Buffer: Een ruimte om tijdelijke gegevens op te slaan, gewoonlijk om verschillen in snelheid tussen apparatuur op te heffen. Een camera kan meestal sneller de foto maken dan dat er op de geheugenkaart opgeslagen kan worden en daarom slaat de camera de gemaakte foto’s tijdelijk in een buffer op zodat je toch achter elkaar foto’s kan blijven maken.
C-Dcamera obscura: De Camera Obscura was de voorloper van de fotocamera. Het is een lichtdichte doos met aan de voorkant een klein gaatje (later lens geworden). Richt je het gaatje van de camera obscura naar een verlicht voorwerp dan verschijnt een omgekeerd (en verkleind) beeld van dit voorwerp precies tegenover dat gaatje op de achterwand.
CCD-Sensor: Charged-Coupled Device: een chip die opgebouwd is uit lichtgevoelige receptoren. Op de CCD-chip zit een kleurenfilter, zodat elke receptor slechts één van drie primaire kleuren rood, groen en blauw registreert.
De informatie die de CCD-chip opvangt, wordt door de software in de camera geconverteerd tot een digitaal beeldbestand dat bestaat uit pixels. Daarbij wordt de primaire kleur die een receptor heeft opgevangen, aangevuld op basis van beide andere primaire kleuren die door de omliggende receptoren werden opgevangen - een proces dat als demosaicing bekend staat.
Centrumgerichte meting: Manier van lichtmeting waarbij de belichting wordt gebaseerd op de hoeveelheid licht in en rond het midden van het beeld.
CF (Compact Flash): Compact Flash is tegenwoordig het populairste opslagmedia voor Digitale Camera's. Van de simpelste digitale compact tot professionele spiegelreflex camera's, overal wordt deze kaart gebruikt. Zijn populariteit is mede te danken aan zijn enorme opslagcapaciteit. Tegenwoordig zijn er al Compact Flash kaarten te koop met een geheugen van 8 gigabyte.
close up: Bij een close up foto wordt een bepaald deel van het onderwerp heel erg sterk naar voren gehaald. De rest van de omgeving wordt genegeerd en alleen het onderwerp wordt sterk ingezoomd in beeld gebracht.
CMOS: CMOS staat voor Complimentary Metal Oxide Semiconductor. Dat staat voor een halfgeleidertechniek die gebruik maakt van Metaal-oxide veldeffecttransistoren. CMOS schakelingen worden veel gebruikt in geïntegreerde circuits, ook wel IC's genaamd, onder meer vanwege het relatief lage stroomverbruik van de schakelingen. Mede dankzij het lage stroomgebruik wordt CMOS technologie gebruikt bij de fabricatie van beeldchips. Hierin is het de grootste concurrent van de CCD. Een eigenschap van CMOS chips is dat veel van de nabewerkingen die bij een CCD nodig zijn op de chip zelf uitgevoerd worden, zoals versterking, ruisreductie en interpolatie. Waar bij een CCD de lading aan het eind van de hele reeks pixels omgezet wordt naar een voltage gebeurt dit bij CMOS op elke pixel apart. In consumentenapparatuur, zeker waar een zo laag mogelijk stroomgebruik wenselijk is, worden steeds vaker CMOS sensoren toegepast. Het is ook veel goedkoper om te produceren en daarom worden ze ook steeds vaker in digitale spiegelreflex camera's toegepast.
Compositie: De compositie is een sleutelbegrip voor het maken van mooie foto's. Het verwijst naar hoe de diverse elementen in de foto zich verhouden tot elkaar en tot het beeldkader.
Compressie: Bij compressie van een digitaal bestand worden gegevens samengepakt om minder opslagruimte in beslag te nemen. Digitale gegevens worden hierbij weggegooid en zijn daarna niet meer terug te halen.
Continue Autofocus: Op veel camera's terug te vinden als 'sportstand'. Normaal gesproken wordt de scherpstelling eenmalig vergrendeld op de gevonden afstand. Bij bewegende onderwerpen zal dit echter tot een onscherpe afbeelding leiden daar de afstand tot het onderwerp niet gelijk blijft. Met de camera in de Continue AF stand zal de scherpte doorlopend aangepast worden aan het zich verplaatsend object.
Contrast: In de fotografie verwijst dit begrip naar verhoudingen tussen lichte en donkere elementen in de foto.
Converters: Optische converters kunnen de beeldhoek van een camera-objectief veranderen. Zo zijn er voor de Fujifilm digitale camera’s groothoek- en teleconverters verkrijgbaar. Er bestaan ook softwarematige converters die bijvoorbeeld gebruikt worden bij het omzetten van een camera RAW-bestand naar TIFF. Dit laatste wordt gedaan met de als extra verkrijgbare Hyper utility Software HSV-2.
Cropping: Eén van de meest gebruikte toepassingen bij digitale fotografie. Croppen kun je vergelijken met het afknippen van foto's. Via bijsnijden verander je het formaat van een afbeelding of haal je lege vlakken weg. Foto's zien er dan een stuk professioneler uit.
Diafragma: Het diafragma is als het ware een soort scherm met een verstelbare opening tussen de lens en de sluiter. Via het diaframa valt licht op de sensor. Hoe groter de opening, hoe meer licht er per tijdseenheid op de CCD valt. De grootte van de opening wordt gemeten in F-getallen (f-stops ). Hoe groter het getal, hoe kleiner het diafragma en hoe minder licht er dus door de opening valt. Bij een klein getal zal het diafragma dus groot zijn en meer licht doorlaten. Elke opeenvolgende f-stop op een camera laat half zoveel licht door.
Diafragmaringen of -vlekken: Lichte, hoekige vlekken die meestal diagonaal over een foto lopen. Ze worden veroorzaakt door schuin in de lens vallend zonlicht. Het gebruik van een zonnekamp kan dit verschijnsel voorkomen.
Diffuus licht: Egaal, gelijkmatig licht zonder harde schaduwen. Bij diffuus licht is het niet, of slechts moeilijk, te bepalen uit welke richting het licht komt. Mist is een extreme vorm van diffuus licht.
Digitale zoom: Behalve de naam heeft dit niets te maken met de echte zoom van een digitale camera. Bij digitale zoom wordt Uit de gemaakte foto een deelvergroting gemaakt en vervolgens wordt deze uitsnede opgeslagen als nieuwe foto. Hierbij moet je er rekening mee houden dat de resolutie van de foto evenredig afneemt met het aantal keer dat je digitaal inzoomt.
Doortekening: Delen van de foto die heel licht of juist heel donker zijn, maar waar toch nog structuur in te zien is. Bijvoorbeeld de schaduwkant van een boom waarin nog wel de structuur van de schors te zien is.
DOF: depth of field, Engelse term voor scherptediepte.
DPOF: Digital Print Order Format. Een door Kodak, Fuji, Matsushita en Canon ontwikkelde functie die het mogelijk maakt om direct vanuit een camera te printen.
Draadontspanner: Schakelaar die via een draad of draadloos met de camera verbonden wordt en waarmee je een foto kunt maken zonder de ontspanknop in te drukken.Wordt meestal gebruikt in combinatie met een statief om zo trillingen veroorzaakt door het indrukken van de ontspanknop te voorkomen.
E-FEXIF: Het Exchangable Image Format is een JPEG-variant waarbij naast het beeld zelf ook andere gegevens bewaard worden, zoals het cameratype, de datum van de opname, diafragma, sluitertijd en zoomfactor. Beeldbewerkingssoftware bevat meestal een functie om de EXIF-informatie te tonen.
Firmware: Firmware is de software in de camera die de digitale camera bestuurt. Tegenwoordig kan bij heel wat camera’s de firmware geüpdate worden om verbeteringen of aanvullingen in de besturingssoftware van de camera mogelijk te maken.
Fisheye: Een bepaald soort objectief. De beeldhoek van een fisheye is zo groot dat de lens een zeer groot oppervlak bestrijkt maar het beeld vertekend weergeeft, met de bolling van een vissenoog.
Flitssynchronisatie: De juiste sluitertijd die synchroniseert met de flitser. De sluiter moet namelijk volledig open zijn voordat de flitser af mag gaan. Is dat niet het geval, dan wordt een deel van de foto zwart. Bij de juiste flitssynchronisatietijd valt de lichtpuls van de flits precies op het moment dat het sluitergordijn geheel geopend is. Afhankelijk van de gebruikte camera zijn synchronisatiesnelheden mogelijk van 1/30 sec, 1/60 sec, 1/90 sec, 1/125 sec of 1/250 sec. De flitser synchroniseert wel met langere sluitersnelheden, maar niet met kortere.
focus: Focus is het scherpstellen van een camera op een bepaald onderwerp wat zich in het beeld bevindt. Dit zal scherp worden afgebeeld op de foto en de rest eromheen zal minder scherp te zien zijn op de uiteindelijke afdruk.
G-HGereflecteerde lichtmeting: Een lichtgevoelige cel in de camera bepaalt hoeveel licht er van het onderwerp naar de camera wordt gereflecteerd.
Histogram: Een staafdiagram waarmee wordt aangegeven hoeveel pixels van elke licht- of toonwaarde in een opname aanwezig zijn. Zo kun je zien of de lichtverdeling in de opname in orde is.
I-JIndirect flitsen: Een manier van flitsen waarbij de flitslamp niet direct op het onderwerp wordt gericht, maar op een reflecterend vlak, bijvoorbeeld een wit plafond, om zachter licht met minder zware schaduwen te krijgen.
Invulflits: Bij invulflits wordt gebruik gemaakt van een flitser bij daglicht om schaduwen op het onderwerp 'in te vullen' met extra licht.
Ingebouwde Flitser: Een ingeboude flits zit tegenwoordig op vrijwel elke digitale camera. Doordat deze meestal dicht bij de lens zit en een laag richtgetal heeft mag men daar over het algemeen niet veel van verwachten.
Interpolatie: Methode om met behulp van een algoritme meer beeldpunten te berekenen, zodat het totaal aantal megapixels omhoog kan.
ISO: ISO is een standaard van de International Standardisation Organisation die de lichtgevoeligheid van de beeldsensor van de camera weergeeft. Deze standaard is de opvolger van de oude ASA standaard. ISO 100 of ISO 200 is de meest gebruikte instelling. Bij digitale compact camera's kan je vaak maar de ISO waarde tot 400 of 800 instellen. Bij digitale spiegelreflex camera's heb je vaak een maximum ISO waarde van 1600 of 3200. Hoe hoger de gebruikte ISO-waarde, hoe minder licht de camera nodig heeft (kortere sluitertijd en/of kleiner diafragma). Het nadeel van een hogere ISO waarde is dat er vaak digitale ruis te zien is op de foto.
JPEG / JPG: De afkorting staat voor Joint Photographic Experts Group, de organisatie die dit digitale bestandsformaat ontwikkelde. JPEG comprimeert digitale beelden zodat die minder ruimte innemen, maar in tegenstelling tot TIFF-compressie gaat hierbij informatie verloren.
Elke keer als u een JPEG-beeld opent en bewerkt, wordt het opnieuw gecomprimeerd. Als u een beeld intensief wilt bewerken, bewaart u het dan als TIFF of in RAW-formaat. Is de bewerking klaar, slaat u het definitieve bestand kunt u daarna wel alsnog als JPEG op.
K-LKaartlezer: Met behulp van dit externe apparaat is het mogelijk om de geheugenkaarten uit de camera in te voeren in de PC/Mac zonder dat daarvoor de camera zelf nodig is. De apparaten kunnen vaak diverse type geheugenkaarten tegelijkertijd inlezen en worden van stroom voorzien via de PC of Mac.
kikkerperspectief: Bij een foto in kikkerperspectief (kikker standpunt) wordt de foto van onderaf genomen. Het onderwerp van de foto bevindt zich hoger dan de maker van de foto. (Zoals een kikker omhoog kijkt tegen een mens ).
Kleurdiepte: Kleurdiepte geeft het aantal mogelijke kleuren aan. Dit wordt uitgedrukt in bits. Hoe hoger de kleurdiepte, hoe 'echter' de foto.
Kleurtemperatuur: De kleur van licht in graden Kelvin. De kleurtemperatuur kan gewijzigd worden door filters te gebruiken. Daglicht komt overeen met ongeveer 6500° Kelvin.
LCD: Liquid Crystal Display. Een LCD gebruikt kristallen om een beeld weer te geven. Onder invloed van elektrische spanningen veranderen de kristallen van kleur.
Lichtmeting: het meten van de hoeveelheid die op een onderwerp valt, danwel door een onderwerp wordt teruggekaatst; de lichtmeting wordt weergegeven in een bepaalde combinatie van sluitertijd en diafragma, of in een bepaalde lichtwaarde (bij veel losse meters ).
Lichtsterk objectief: Objectief met een grote maximale diafragmaopening (laag f-getal).
Lichtwaarde: drukt de hoeveelheid gemeten licht uit, die bepaalt welke combinaties van sluitertijd en diafragma een bepaalde belichting opleveren (bij een bepaalde filmgevoeligheid).
Bijvoorbeeld: je gebruikt een 100 ISO film en je meet lichtwaarde 15 (EV 15). Dan krijg je een goede belichting bij f16 - 1/60 of f11 - 1/125 of f8 - 1/250 etc.
M-NM (camera stand): De M staat voor Manual oftewel handmatig. Bij deze stand zul je dus zelf de sluitertijd en diafragma in moeten stellen
macro: De macro modus op een camera stelt u in staat om close-upopnames te maken, soms al op een afstand van twee cm van de lens.
Digitale macro fotografie gaat om het fotograferen van objecten en personen op korte tot zeer korte afstand. Er wordt ingezoomd op het object vlak voor de lens, waardoor de achtergrond wat waziger wordt.
Meerveldmeting: Vorm van lichtmeting waarbij de hoeveelheid licht op verschillende plaatsen in het beeld wordt gemeten.
Microdrive: De microdrive van IBM is eigenlijk een miniatuur harde schijf. Hij wordt vooral gebruikt in professionele systemen vanwege zijn grote opslagcapaciteit, snelheid en stevigheid.
MMC (MultiMediaCard): MultiMedia kaarten kunnen gebruikt worden in verschillende apparaten. Deze kaarten zijn ideaal voor kleine MultiMedia apparatuur zoals mobiele telefoons, organizers en kleine foto/video apparaten.
MS (Memory Stick): De memory stick van Sony wordt veel gebruikt in camera's en videocamera's van dat merk. Ze zijn niet erg compitabel met andere merken maar betrouwbaar en tegenwoordig verkrijgbaar in grote capaciteiten. Ze zijn beveiligd tegen het verwijderen of overschrijven van bestanden.
O-PObjectief: Een ingenieus samenstel van verschillende lenzen. Het objectief vangt lichtstralen op die op het onderwerp van fotografie gericht zijn, bundelt ze en projecteert ze als een haarscherp beeld op de lichtgevoelige film voor de achterwand van de camera.
Onderbelichting: Als bij een opname te weinig licht is gebruikt, zijn details lastig te zien. Dit heet onderbelichting.
Onderwerpprogramma’s: De Onderwerp Programma’s, portret, sport & actie, landschappen, nachtopname kunne gebruikt worden om de camera optimaal in te stellen voor een specifiek onderwerp. De camera kiest dan zelf de beste combinatie van diafragma, sluitertijd, belichting, kleur en scherpstelling om dat onderwerp perfect op de foto te zetten. Op het LCD scherm wordt aangegeven welke programmastand is ingesteld. automatische belichting die past bij de omgeving. Door deze functie is het niet meer nodig om zelf handmatig alles in te stellen. De camera garandeert automatisch het best mogelijke resultaat.
ooghoogte: Bij een foto op ooghoogte bevindt het onderwerp van de fot zich op een gelijke hoogte zoals een normaal mens tegen het onderwerp aankijkt.
Optische zoeker: Met een optische zoeker kan direct op beeld de inhoud en de exacte compositie van de foto worden bepaald.
Optische zoom: Hiermee kan door beweegbare lensdelen het te fotograferen onderwerp zonder kwaliteitsverlies dichterbij worden gehaald (verdient veruit de voorkeur boven digitale zoom).
Overbelichting: Als er te veel licht door de lens wordt gelaten, wordt de foto te bleek en zie je te weinig details. De foto is dan overbelicht.
P (camera stand): Bij de B stand kunt u zelf de belichting helemaal naar keuze instellen. U kunt zo een foto over- of onderbelichten. Ook kunt u een andere witbalans instellen. De sluitertijd en diafragma worden bij deze stand automatisch ingesteld).
Panning: Panning (of pannen) is het maken van een foto waarbij het object scherp in beeld is en de achtergrond 'beweegt'. Dit doe je door de camera dezelfde beweging te laten maken als het onderwerp dat je fotografeert.
Perspectief: Perspectief is de onderlinge verhouding van de verschillende elementen in een foto. Hiermee bedoelen we de positie en zoomstand van de camera ten opzichte van het te fotograferen object/onderwerp.
Er zit verschil in het perspectief tussen groothoek- en teleobjectieven. Bij gebruik van een telelens, lijken zaken veel dichter bij te staan dan ze in werkelijkheid zijn. Bij gebruik van een groothoeklens, lijken de achtergrond en het onderwerp veel verder weg van elkaar te zijn dan wanneer er wordt ingezoomd.
PictBridge: De PictBridge-Standaard is het commerciële eindproduct van de Direct Print Standard die in december 2002 door Fujifilm, Canon, Olympus, Hewlett Packard, Seiko en Sony werd ingesteld. Het betreft hier een computerprotocol dat de communicatie tussen camera en printer regelt. Het is met behulp van Pictbridge mogelijk om rechtstreeks vanuit de camera af te drukken op iedere printer die deze PictBridge standaard ondersteund.
pixel: Pixels (picture element) zijn de bouwstenen van digitale beelden. Elke pixel heeft een bepaalde kleur, die bepaald wordt door de hoeveelheid groen, rood en blauw (RGB) in de pixel.
Polarisatiefilter: Filter dat ongewenste reflecties elimineert en blauwe luchten blauwer en donkerder maakt. Het nadeel van polarisatiefilters is dat ze veel licht opslokken (één tot twee stops ).
POV: point of view Engelse term voor standpunt
Q-RRAW: Het RAW-beeldformaat bevat de informatie zoals die door de CCD-sensor wordt vastgelegd, zonder dat die door de camerasoftware verwerkt wordt tot een TIFF- of JPEG-bestand. U moet RAW-bestanden op een pc importeren en daar de verdere bewerking uitvoeren. Het voordeel van RAW foto's is dat RAW een zuiver ‘digitaal negatief’ is, en niet beïnvloed door de verwerkingsalgoritmes in de camera.
resolutie: Bij digitale camera’s moeten we twee soorten resolutie onderscheiden. Er is de hardwarematige resolutie van de CCD-sensor, die aangeeft hoeveel honderdduizenden of miljoenen sensoren de CCD bevat. Hoe meer sensoren, des te scherper het beeld dat de CCD kan vastleggen.
En er is een beeldresolutie. Het licht dat de CCD registreert, wordt dan omgezet tot een digitaal beeld dat opgebouwd is uit pixels, bijvoorbeeld 1.600 x 1.200 pixels of 640 x 480 pixels. Omdat niet alle informatie van de CCD vertaald kan worden, ligt de maximale resolutie van de digitale foto’s per definitie zo’n tien procent lager dan de hardwareresolutie van de CCD.
Wat betreft foto afdruk resolutie: Foto's en pixels horen tegenwoordig ook bij elkaar. Voor de resolutie van een foto afdruk geldt de regel: hoe hoger de resolutie van de foto, hoe scherper de foto afdruk.
Richtgetal: Het richtgetal van een flitser bepaald de lichtopbrengst en is gelijk aan het product van de afstand (van flitser tot onderwerp) en het benodigde werkdiafragma. Een richtgetal van 45 wil zeggen: bij vol vermogen is diafragma f45 nodig om op 1 meter afstand van het onderwerp een juist belichte opname te maken. Immers richtgetal = afstand x diafragma. Richtgetallen zijn altijd gedefinieerd bij 100 ISO.
Ringflitser: Een speciale ringvormige flitser, meestal gebruikt bij macro-fotografie en close-ups, soms ook voor portretten.
Rode ogen reductie: Wanneer er in een donkere omgeving een foto gemaakt wordt dan reflecteert de flits op het bloeddoorlopen netvlies van iemands oog. Veel camera`s hebben of automatisch of de mogelijkheid om een vermindering van rode ogen handmatig in te stellen: let wel het is een vermindering. Voordat de opname met flits gemaakt wordt, gaat een lampje oplichten of geeft de flitser een zogenaamde voor-flits. Gevolg van dit is dat de pupillen als gevolg van de lichtbundel kleiner worden. Hierdoor vermindert het rode ogen effect op de foto. Voor meer info zie de afdeling helpdesk op de website.
Ruis: Vlekjes of sneeuw op een beeldscherm. Ruis kan het gevolg zijn van kleine storingen in een CCD-beeldelement.
S-TScherptediepte: Soms is alles binnen een beeld (onderwerp, voorgrond, achtergrond) even scherp, soms is alleen het onderwerp scherp en de rest niet. Dat verschil wordt scherptediepte genoemd.
SD (Secure Digital): Type geheugenkaart dat kleiner is dan Compact Flash maar wel een vergelijkbare geheugencapaciteit en prijs heeft. Doordat deze kaartjes erg klein en dun zijn kunnen ze wel makkelijker beschadigen of kwijt raken.
Serie-opnamen: Na het instellen van de camera in de serie- of continue opnamestand is het mogelijk om met één druk op de ontspanknop een reeks foto’s zeer snel achter elkaar te maken.
Slow Flash stand: Door het gebruik van deze flitsstand wordt de sluitertijd van de opname verlengd tot de tijd die nodig is om de foto goed te belichten zonder het gebruik van de flitser. Hierdoor wordt het mogelijk om zowel het onderwerp op de voorgrond, als de achtergrond goed te fotograferen.
Sluitertijd: Een sluiter is een soort valluik dat zich tijdens de opname opent om het licht door te laten. De sluitertijd wordt berekend in (fracties van) seconden: 5 seconde, 1/4 seconde, 1/60 seconde, 1/1000 seconde, enz. De tijd dat de sluiter open staat en dus hoe lang de belichtingstijd is, is afhankelijk van de filmgevoeligheid. Bij een lange sluitertijd moet je er rekening mee houden dat het onderwerp niet mag bewegen. Beweegt het onderwerp wel dan ontstaat de beroemde 'bewegingsonscherpte'. Een snelle sluitertijd van 1/2000 zal een bewegend onderwerp “bevriezen” zodat details zichtbaar worden die het blote oog niet waar kan nemen. Ook kan een foto onscherp worden door beweging van de camera zelf. Om die beweging uit te bannen neemt men vaak als regel dat de sluitertijd minstens de brandpuntsafstand van het objectief moet zijn. Dus bij een brandpuntsafstand van 50mm moet de sluitertijd 1/50 seconden zijn en bij een afstand van 200mm moet hij dan 1/200 seconde zijn. Om een bewegend onderwerp goed'"bevroren" vast te leggen is een sluitertijd van 2x de brandpuntsafstand aan te raden dus bij 200mm een sluitertijd van 1/400 seconde.
SM (SmartMedia): Type geheugenkaart dat tegenwoordig bijna niet meer gebruikt wordt. De maximale capaciteit van een SM-Card gaat tot 128mb. Voor de huidige generatie digitale camera's is die capaciteit niet meer toereikend.
Spiegelreflex: Spiegelreflexcamera's, ook wel afgekort tot SLR of zoals nu met de digitale toestellen als DLSR (Digital Single Lens Reflex ), zijn camera's met één (verwisselbaar) objectief en een spiegel die bij het maken van de foto opklapt (de reflex ). Deze spiegel is normaal neergeklapt, wanneer je een foto maakt klapt de spiegel omhoog zodat er licht kan vallen op de film of op de sensor (de CCD), zoals bij DSLR's. Wanneer je door de zoeker kijkt zie je niet direct door de lens (het objectief) maar kijk je via de spiegel en een pentaprisma (of een 2e spiegel) wat je gaat fotograferen. Je kijkt bij een spiegelreflex dus ook altijd door de zoeker, en niet op het LCD-scherm, zoals je dat bij een compact camera kan doen.
standpunt: Een standpunt is de plaats waar je gaat staan als je een foto maakt. Je kan hetzelfde onderwerp van je foto vanuit diverse standpunten fotograferen om verschillende foto's te krijgen.
Stop: fotografische term voor het verschil tussen bijv. 1/125 sec en 1/250 sec, of f11 en f16. Bij beide voorbeelden is er sprake van één stop verschil. Tussen 1/125 secen 1/500 zit dus 2 stops verschil enzovoort.
strijklicht: Licht dat zijwaarts (bijna parallel) op het onderwerp van de foto valt. Het 'strijkt' als het ware langs het onderwerp, waardoor alle oneffenheden extra geaccentueerd worde. De bijzondere elementen van het onderwerp van de foto komen hierdoor nog mooier naar voren.
TIFF: Staat voor Tagged Image File Format, en is een compressietechniek waarbij - in tegenstelling tot JPEG - geen informatie verloren gaat en de beeldkwaliteit dus niet slechter wordt. Het nadeel is dat TIFF-bestanden bijna tienmaal groter zijn dan goede JPEG-bestanden, en dat u dus meer geheugenkaartjes nodig heeft.
tegenlicht: Grote lichtbron die direct vanachter het onderwerp van de foto, de lens belicht. Normaal gesproken neem je de beste foto's, wanneer je de zon of een andere lichtbron achter je hebt staan. Op die manier belicht de lichtbron je onderwerp.
Bij tegenlicht maak je een foto 'tegen het licht' in. De lichtbron staat dus voor je, in plaats van achter je. Hierdoor kunnen foto's soms overbelicht raken, omdat de lens het niet goed aankan, maar het kan ook juist prachtige effecten veroorzaken.
toplicht: Grote lichtbron die van bovenaf het onderwerp van de foto belicht.
TTL: Dit is de afkorting van "Through the lens". Het betekent letterlijk “door de lens“ en beschrijft de meetmethode van het autofocus en/of lichtmeetsysteem in een digiatle camera.
Tv (camera stand): Tv staat voor Time Value. Bij deze stand van de camera moet je zelf een sluitertijd instellen. Het diafragma (lensopening) wordt daar automatisch op aangepast.
U-Vvogelperspectief: Bij een foto in vogelperspectief (vogel standpunt) wordt de foto van bovenaf genomen. Het onderwerp van de foto bevindt zich lager dan de maker van de foto. (Zoals een omlaag kijkt op een mens ).
W-Xwitbalans: Verschillende lichtbronnen (zoals zonlicht, gloeilampen of TL-lampen) hebben een eigen kleurtemperatuur - ze bevatten verschillende hoeveelheden groen, rood en blauw licht. Hierdoor zien de kleuren van objecten onder verschillend licht er net iets anders uit - iets dat wij nauwelijks merken, omdat het menselijk brein erop getraind is om die verschillen weg te denken.
In een camera moeten de verschillen in kleurtemperatuur echter gecompenseerd worden. Dat gebeurt door het instellen van de witbalans - de combinatie van groen, rood en blauw die samen perfect wit oplevert.
De witbalans kan automatisch ingesteld worden, maar op meer geavanceerde modellen kunt u ook handmatig de witbalans aanpassen aan het omgevingslicht.
Witpunt: Het punt op een gradatiecurve dat overeenkomt met zuiver wit.
XD-Picture Card: Een ultracompacte geheugenkaart met hoge lees en schrijf snelheid. De kaarten verbruiken tevens zeer weinig stroom zodat de batterijen van de digitale camera langer mee gaan.
Y-ZZelfontspanner: Na het instellen van de zelfontspanner duurt het nog 2 of 10 seconden voordat de daadwerkelijke foto gemaakt wordt. Dit geeft dus tijd om zelf in beeld te komen of kan dienen ter voorkoming van trillingen bij het maken van een tijdopname.
Zoeker: Het venstertje op de camera waar je doorheen kijkt om te zien wat je fotografeert. Er zijn drie typen zoekers: de doorzichtzoeker, de meetzoeker en de spiegelreflexzoeker.
Zoomlens: Een zoomlens beweegt verschillende lenzenstelsels en kan daarmee de brandpuntsafstand variëren. De minimale en maximale brandpuntsafstand worden aangeduid in millimeters.
Zwartpunt: Het punt op een gradatiecurve dat overeenkomt met zuiver zwart.
bronnen o.a.: dromodo.nl, fotolevel.nl, kampie.info ea.

webdesign en techniek door
Tecomaad